Schrijver, dichter en redacteur Erik Menkveld is onlangs overleden. Geen hippe schrijver, geen snelle romans, maar een bedachtzaam auteur. En toevallig eentje die ik al heel lang ken.

Sinds midden jaren zeventig al. Een onooglijk pleintje in Driebergen. Een tijd van feestjes bij ons of bij de buren, Abba en de Beatles op de pick-up, dansen in de woonkamer, pijpjes pils en doppinda’s, Zweedse klompen en een hele schare kinderen ertussendoor, waaronder ik, een kleutertje nog maar. Vaag herinner ik me die grote puber op zijn stoere fiets die aan de overkant van het plein woonde en die meer interesse had in wat onze ouders allemaal uitspookten dan in onze kinderachtige spelletjes.

Interview

Later verhuisden wij naar Utrecht en pas toen ik zelf een tiener was, kwamen we weer in contact via gezamenlijke kennissen van ‘het pleintje’. Toen we voor Nederlands eens iemand moesten interviewen, aarzelde ik geen moment. Ik moest en zou Erik Menkveld vragen. Hij was inmiddels literair redacteur bij de Bezige Bij en dat wilde ik ook worden. Want lezen, dat kon ik als de beste. Enigszins verwonderd stemde hij toe. Hij haalde me op de afgesproken datum met de fiets af van het Amstelstation en ik mocht bij hem achterop. Zo slingerden we door Amsterdam-Zuid naar dat statige pand van de uitgever.

Echte Schrijvers

Ik was net zo geïntimideerd als verlegen; liep ik daar zomaar, in een Echte Uitgeverij met een Echte Redacteur te converseren over Echte Boeken en Echte Schrijvers. Hoe cool is dat als je zeventien bent en verslaafd aan boeken. Hij leidde me uitgebreid rond en liet me zelfs handgeschreven manuscripten zien van, ik meen, W.F. Hemans en Harry Mulisch. Vertelde honderduit over zijn vak en beantwoordde geduldig al mijn vragen en nog meer. En ik, als puber niet geheel gespeend van een beetje dweperij, hing aan zijn lippen. Voor het interview kreeg ik trouwens een negen.

Weer buren

De jaren erna zagen we elkaar af en toe, vaker niet dan wel. Meestal was dat via die wederzijdse vrienden. Totdat ik een jaar of tien geleden verhuisde en we weer in contact kwamen toen bleek dat we – wederom – praktisch buren waren. Hij schreef een opdracht in mijn exemplaar van zijn brievenbundel Met de meeste hoogachting. Een van die brieven gaat deels over die bijzondere tijd daar aan dat pleintje. Dit najaar hebben we nog samen gedanst op de herdenkingsdienst van een van onze vrienden uit die tijd. Op Abba natuurlijk. Klinkt gek, was het niet.

Baggeren

Waar we elkaar ook regelmatig tegenkwamen: bij onze volkstuintjes op Amstelglorie. Afgelopen november hadden we nog samen tuincorvee. Stonden we daar, met lieslaarzen aan de sloot uit te baggeren. We spraken af in de zomer samen een biertje te drinken op de tuin. Hij beloofde me mijn verhalen te lezen en te voorzien van eerlijk commentaar. Hij stimuleerde me het schrijven weer op te pakken. Gewoon doen, zei hij. We zouden de afgelopen winter nog samen koffie gaan drinken in dat nieuwe tentje een paar straten verderop, om daar nog eens even verder over te bomen. Het kwam er niet van. Hij zou nog een opdracht schrijven in mijn exemplaar van zijn prijswinnende debuutroman Het grote zwijgen. Het gaat niet meer gebeuren. Hij zwijgt.

Maar zijn werk leeft voort, en hij leeft voort in zijn werk. Geen snelle columns, geen hippe romans. Nee, Echte Literatuur. Bedachtzaam, elk woord weloverwogen. Erudiet zonder hoogdravend te zijn en met subtiele humor. Zoals hij was.

ALLES MAG JE WORDEN

Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.

Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of –
als je leven ingewikkelder loopt –

gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddestoelenfotograaf,

pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen…
Behalve ongelukkig. Beloofd?

 

(Erik Menkveld, uit: Schapen nu!, 2001)

Zeg er maar wat van