Een bril, als kleuter leek het me fantastisch. Als puber baalde ik ervan en dankzij lenzen en laser dacht ik er vanaf te zijn. Tot ik na jaren bij de oogarts kwam.

Trots als een pauw

Als vijfjarige droeg ik geregeld de afgedankte legerbril van mijn vader. Niet omdat dat moest, maar omdat ik dat zelf zeer gewichtig vond staan. De eerste dag dat ik mijn eigen bril droeg, liep ik trots als een pauw de kleuterschool binnen. ‘Oh wat prachtig!’ zei de juffrouw en ik voelde me groot en gezien. Op elke nieuwe schoolfoto werden mijn brillenglazen dikker want mijn ogen werden slechter. In de brugklas wilde ik graag een pilotenbril, net zo één als de oudere Molukse kinderen op school droegen. Maar daar stak mijn moeder een stokje voor. ‘Kijk, dit model past toch veel beter bij je.’ Ik vond het een suffe jongensbril, veel minder stoer dan wat ik zelf wilde. De opticien was het roerend met mijn moeder eens. Mokkend, met het idee dat dit voorgekookt was, ging ik akkoord.

Contactlens doormidden

Mijn enthousiasme voor het dragen van een bril begon vanaf dat moment langzaam af te nemen. Fietsend in de regen en hinderlijk beslagen glazen in de winter vond ik vervelend. Inmiddels was ik veertien en zagen de zwarte lijnen om mijn ogen er zonder bril een stuk stoerder uit. Af en toe liet ik mijn bril in mijn tas zitten, maar als je min negen hebt, is dat toch niet zo handig. Mijn ouders reageerden niet erg opgetogen op mijn idee om contactlenzen te willen dragen. Aangezien mijn puberkamer nogal wanordelijk was, zagen zij de lenzen al verdwijnen in mijn verzameling troep. Achteraf kan ik me dat ook best voorstellen, maar destijds was ik vooral verongelijkt. Maar voortvarend als ik was (ik noem dit liever niet eigenwijs), droeg ik mijn bril gewoon helemaal niet meer, met alle risico’s van dien. Een paar weken later kreeg ik dus contactlenzen aangemeten, die ik inderdaad kwijtraakte (mijn moeder vond er eens eentje onder m’n matras terug), op de grond liet vallen, per ongeluk doormidden brak, maar vooral met heel veel plezier droeg.

Terug naar af of laseren?

Tot ik plotseling alleen nog maar schrijnende rode ogen had. Mensen vroegen voorzichtig of ik gehuild had, of het wel ging met mij. Terwijl ik me prima voelde, ondanks de gesprongen adertjes. De opticien liet me nog andere lenzen dragen, zachte, zuurstofdoorlatend, maar ook deze oplossing was niet afdoende. Terug naar een bril dus. Of toch niet, want een laserbehandeling, waardoor ik geen bril meer nodig zou hebben, hoe fantastisch zou dat zijn? En ongelofelijk duur, dus spaarde ik me (in het pre-kinderentijdperk relatief gemakkelijk) een slag in de rondte en na een jaar had ik de benodigde zesduizend gulden bij elkaar. Pijnlijk was het ook, merkte ik, toen ik bij de tramhalte stond na de behandeling van het eerste oog. De middag had ik doorgebracht in het oogziekenhuis waar ik, na een heel schema oogdruppels, onder het laserapparaat mocht plaatsnemen. Nog nooit heb ik mezelf gedwongen een ander, in dit geval de oogarts, zo diep te vertrouwen als toen. Ik was gewaarschuwd, maar wat een ellendige geur gaf mijn verbrande weefsel terwijl de laser mijn hoornvlies in de juiste vorm schoot. Het resultaat verblufte me. Nadat de waas was weggetrokken, was ik een bijzonder blij kijkend mens. In plaats van een vage lichtgevende vlek te zien op de wekker, zag ik nu vanuit m’n bed scherp hoe laat het was en bij het snorkelen had ik de kleinste visjes glashelder in beeld. Ik vond het tot dan toe de beste beslissing in mijn leven.

Toch weer min drie!

Voor de min één die ik toch nog over had -ondanks dat was de oogarts gierend enthousiast over het resultaat- droeg ik heel soms in de schemer een bril. Tot ik afgelopen zomer plotseling lichtflitsen zag en wazige sluiers voor mijn ogen zag bewegen. Met spoed belandde ik bij de oogarts. Mijn ogen werden uitgebreid tot aan de oogzenuw onderzocht. Hoewel de symptomen er op wezen, liet mijn netvlies gelukkig niet los. ‘Draag je een bril?’ vroeg de oogarts ‘want je hebt min drie rechts.’ Ik viel bijna van mijn stoel. Min drie! Daarvoor dragen mensen een serieuze bril, en ik liep rond met bijna niets. De ondertitels die ik slechter zag, het gestuntel tijdens het hardlopen in het donker, het werd me duidelijk: ik moest weer een bril. Eenmaal thuis, met nog slechter zicht vanwege de oogdruppels om mijn pupil te verwijden, was ik vooral blij dat mijn netvlies nog intact was. De min drie schoof ik op de lange baan.

En nu?

Intussen is het maanden later. Mijn ‘af-en-toe-bril’ heeft nog steeds min één en een complete min drie contactlenzenset ligt in de verpakking onder in de badkamerkast. Ik ben me bewust van mijn ontkenning. Ooit wilde ik zo graag een bril dragen en nu ik het weer zou moeten, wuif ik het achteloos weg. Wat me eerst zo aantrekkelijk leek, interesseert me op dit moment nauwelijks meer. Toch zal ik tot actie moeten overgaan, om ongelukken te voorkomen. Binnenkort maar eens naar een brillenboer. Als ik er aan denk.

Zeg er maar wat van