Met Rumboman ben ik in Amsterdam om mijn gejatte tas te vervangen voor een nieuw exemplaar. Dan bots ik met een onverwachte klap op pijnlijke herinneringen: het moment dat geluk en schrik vochten om aandacht.

Ingebroken

De verzekeringsmeneer belt. Met coulance neemt hij mijn lijstje met gestolen spullen en de bijbehorende prijsopgave over. Na de inbraak in ons huis, een dinsdagnacht in januari, bleef na de praktische aanpak van het regelen van pasjes en rijbewijs, een zeurend wrang gevoel over. Bijna alles was te vervangen: mijn iPad (iCloud is echt geweldig!) mijn portemonnee van Loulou (hoewel helaas niet meer in het zwart), de camera’ s van Rumboman (de kaartjes gelukkig geback-uped). Op één ding na: mijn rode leren dokterstas. De tas die ik kocht, als cadeautje voor mezelf, nadat ik mijn bachelor antropologie had gehaald. Niet alleen was het een dure tas, ook de vormgeving en de kleur voelden intrinsiek. De verzekeringsmeneer zegt dat hij de aanschafwaarde volledig vergoedt. Ik kan mijn geluk niet op. De zonnige zaterdagmiddag na zijn bericht popel ik om naar de winkel te gaan waar ik de tas kocht om een nieuw exemplaar aan te schaffen.

Bloedstraat

Met Rumboman zit ik in de sprinter van ons dorp naar station Amstel, waar we de metro naar de Nieuwmarkt nemen. Deze route kan ik dromen. Vier jaar lang legde ik enkele dagen per week dit traject af op weg naar het Spinhuis, een sfeervol oud gebouw van de UvA waar ik studeerde. Om bij de tassenwinkel te komen is de kortste route over de wallen. We lopen om de markt heen, propvolle terrassen passerend, richting Bloedstraat. Ik proef het woord, met Amsterdams accent, op mijn lippen. Beloedsjtraaht. Dat voelt lekker. We kijken naar de dames achter de ramen. ‘Allemaal siliconen.’ zegt Rumboman een beetje klagerig. Of misschien is verwend een beter woord.

Spinhuis

De kinderkopjes honderdmaal verwensend, want natuurlijk loop ik ook hier op flinke hakken, komen we aan bij de Grote Tas. Binnen vijf minuten is de koop gesloten; hetzelfde model, een tint donkerder dan bloedrood, en een gelijk gevoel van tevredenheid als destijds. Ondanks het fenomenale bedrag dat ik afreken. Mij verheugend op de tomatensoep daar, gaan we op weg naar café de Jaren. Als we op de Kloveniersburgwal lopen zie ik de Spinhuissteeg aan de rechterkant. ‘Zal ik?’ vraag ik Rumboman. ‘Zal ik even kijken, of mijn herinneringen laten zoals ze zijn?’ ‘Kom.’ zegt hij, wetend wat ik bedoel en duwt me zachtjes naar rechts. Even later staan we voor de blauw geverfde ingang van het Spinhuis.

Terug in de tijd

In een oogwenk is het september 2013. Ik ben met Rumboman, mijn kinderen en mijn beste vriendin Sonja in de common room van het Spinhuis. We zijn daar omdat ik mijn diploma krijg: master in de antropologie. Enkele weken geleden heb ik mijn ouders uitgenodigd. ‘Natuurlijk komen we, als alles meezit.’ mailde mijn moeder. Het ging niet zo goed met haar. Ze was verschrikkelijk moe en verloor in een ongewoon tempo gewicht. Op de bewuste dag zijn ze er niet. Mijn moeder is te moe en krijgt die middag een belangrijke uitslag van de internist. We hebben al gehoord dat er vlekjes op haar lever zitten, maar dat kunnen ook cystes zijn, onderhandel ik met mezelf. Met mijn zus heb ik afgesproken dat ze me belt, wat de uitslag ook is.

Incongruentie

Mijn telefoon gaat, over een kwartier sta ik bij de twee professoren die mijn afstudeeronderzoek hebben begeleid en me van harte zullen feliciteren. Het is mijn zus. Ik loop in mijn feestjurk naar de binnenplaats. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Sonja met schrik op haar gezicht naar me kijken. Mijn zus heeft slecht nieuws. Het is alvleesklierkanker. In de weerspiegeling in de ramen van de common room zie ik mezelf: ijsberend over de binnenplaats in mijn crèmekleurige kanten jurk, mijn haren mooi opgestoken, mijn blik vol ongeloof. Ik stap weer naar binnen en deel de boodschap. Rumboman en Sonja schieten vol. De kinderen vragen wat er aan de hand is. Ik ben alleen maar verbijsterd. Mijn copingmechanismen schieten te hulp.

Struikelend de stad door

We lopen de ruimte in. Ik krijg complimenten, een mooi aanbod en een onhandige zoen van de professor (die me op espresso’s trakteerde en meedreef op mijn enthousiasme). Het moment waar ik vier jaar naar toe heb gewerkt gaat aan me voorbij. Nog steeds herinner ik me elk woord en detail, maar ik voel er weinig bij. Na de plechtigheid vertrekken we naar café de Jaren, waar we borrelen in een mengeling van blijdschap en hevige onrust. Het is nazomer, we lopen door de frazelende stad naar restaurant In de Waag, om daar te dineren. Ik struikel over stoepjes, lach wat onnozel. Ik kan het niet geloven. Mijn moeder gaat dood. En eerder dan ik op dat moment kon bedenken.

Terug naar nu

De blauwe deur is er nog steeds. Maar hij zit dicht, er achter kijken kan niet. Rumboman en ik lopen de Oudezijds af, via de Oudemanhuispoort richting café de Jaren. Het is er stampvol. We besluiten hetzelfde rondje omgekeerd te maken. Via de wallen naar de Nieuwmarkt. Er is plaats voor ons bij In de Waag. We eten, drinken en kijken naar het ritueel van de vervanging van de kaarsen in de drie enorme kroonluchters. Mijn herinneringen aan die dag in 2013 zakken een beetje weg. Ik keer terug naar het hier en nu. We kletsen ontspannen, vrijen met onze ogen, maken plannen voor de avond. Ik aai over mijn nieuwe tas. Ik ben er oprecht blij mee. Mijn moeder is overleden, maar in mijn hoofd hoor ik haar, berustend: ‘Ja meid, we hebben nu eenmaal een dure smaak, dus geniet er van.’

één antwoord

Zeg er maar wat van