‘Mevrouw! Weet u de weg naar Scheveningen!?’ met een schelle kakkineuze stem spreekt een dame met een half bruin gebitje mij aan. Mijn allereerste stage in de zorg.

Ongeduldig staat ze van haar ene magere been op het andere te wippen, mij verwachtingsvol aankijkend. ‘Ah, mevrouw Rauchenvorst, natuurlijk weet ik dat,’ antwoord ik bloedserieus. ‘Hier de gang uit en dan is de tramhalte direct links.’ ‘Dank u wel mevroi.’ En met een flinke pas erin vervolgt ze haar weg. Liegen mag niet, maar meegaan in de beleving is een verantwoorde bejegening.

Net een gekkenhuis

Een ouderwetse inrichting, model gekkenhuis, zoals je ze nu niet meer ziet. In de verschillende ruimtes lopen en zitten de bewoners door elkaar. Mompelend lopend, stil voor zich uit starend of druk discussiërend met elkaar over een denkbeeldig onderwerp. Zoals in One Flew Over the Cuckoo’s Nest. Alle vrouwen op deze afdeling hebben dezelfde dikke bruine panty aan. Elke ochtend staat er een plastic zak met deze beenbekleding bij de slaapzalen. Dagelijks een schone. Soms zijn er donkere strepen van een vergeten plasje zichtbaar. Dan wordt de dame met een smoesje meegenomen voor een verschoning. ‘Mevrouw de Jong, je hebt appelsap gemorst, kom eens even mee?’ Want in je broek geplast, dat bestaat niet in de kapotte hersens. Een forse mevrouw loopt met een babypop op haar arm en zegt: ‘Wil je mijn baby even zien? Lief hè?’. De groentewinkel in Crooswijk die ze had, is ze vergeten.

Truus en Maria

Een rijzige dame, diabetespatiënt, snoept van de suikerklontjes uit de keuken, het witte haar in een sierlijke krul. Haar harde lach schalt geregeld door de woonkamer, vooral als de broeders grapjes met haar maken. ‘Truus! Hoe is het met de mannen?’ roept broeder Ruud als hij binnenkomt voor zijn avonddienst. ‘Hee joh!’ roept Truus schaterend met Rotterdams accent. Ze kan geen coherente zinnen meer maken maar ze geniet van deze aandacht. ‘Gaan we vanavond nog naar De Laatste Slok, Truus?’ Ruud legt zijn arm vriendelijk om haar heen. Truus lacht nog harder. ‘Stil nou, de kinderen slapen!’ zegt een droef kijkende mevrouw met een zachte hoge stem, die we Maria Zamora noemen, terwijl ze heel anders heet.

Kroegentocht

Het afdelingsuitje is een kroegentocht in Rotterdam. En ik mag mee. Er wordt een pot gemaakt voor de drankjes. We beginnen bij De Laatste Slok. Want ja, die kroeg bestaat echt en het lijkt een leuk idee om vanwege Truus daar eens heen te gaan. Truus blijft vanzelfsprekend thuis, in de inrichting. Haar oude stamkroeg is een piepklein cafeetje met Spartavlaggen aan de muren. Vaantjes en bekers van gewonnen dartwedstrijden troeven elkaar af. Aan de bar zitten enkele zestigplus-mannen luid te praten. Ze roken shag en hebben bier voor zich. Met een schuin oog houden ze het tv’tje in de nok boven de deur in de gaten, waar biljart op te zien is. Mijn collega’s bestellen rondje na rondje. Na De Laatste Slok gaat het verder over de Oude Binnenweg. Na een paar biertjes bij Melief Bender vertrek ik; de volgende dag heb ik een vroege dienst. De kroegentocht is dan nog in volle gang. Het ‘Ah joh nog ééntje?’ weersta ik en vrolijk fiets ik naar huis. Ik weet dat Truus al in haar bed op de slaapzaal ligt, waarschijnlijk een beetje snurkend.

De volgende ochtend

Om kwart over zeven ben ik op de afdeling. De collega’s die op kroegentocht zijn geweest zijn stilletjes. Anderen zijn druk de gehoorde verhalen over de avond smeuïger te maken met extra details. ‘Ron bleef midden op de Coolsingel ineens liggen!’ ‘Hij heeft de hele taxi ondergekotst.’ ‘Die arme vrouw van hem.’ ‘Hij probeerde Anja te zoenen!’ Hilariteit alom. Ik ben nogal verbaasd. Wat is er in vredesnaam allemaal gebeurd na mijn vertrek?

Troost van Truus

We wekken de bewoners en gaan met enkele dames naar de badkamer. De oude inrichting kent geen privacy. Er zijn vier wastafels in de ruimte, gescheiden door een flodderig gordijntje. José, één van de kroeggangsters, helpt Truus met de lichamelijke verzorging. Haar ruime jurk met de grote bloemen hangt al klaar, een dikke bruine panty is over het hangertje gedrapeerd. Het gordijn tussen de wastafels is half weggeschoven, dat hindert alleen maar volgens José. Ik sta naast hen met Maria Zamora, die zachtjes en onverstaanbaar jammert in haar grote witte ondergoed. José ziet bleek en transpireert, ze ziet er uit alsof ze elk moment kan gaan spugen. Ik bedenk iets passends om te zeggen. Wat een ongemakkelijke situatie vind ik dit. José heeft duidelijk een verschrikkelijke kater, misschien is ze zelfs nog onder invloed. Als ze zich onvast aan de wasbak vastgrijpt is Truus me voor. ‘Ach wijfie…’ zegt ze. En legt troostend haar hand op José’s schouder. Ik wist geen woorden, Truus wist ze wel, ze kon ze alleen niet uitspreken. Dementie, wat een ellende, maar echte goedheid overstijgt deze rotziekte. Wat zullen ze Truus missen in De Laatste slok.

Zeg er maar wat van